Optellen van grotere getallen
- Jozef Aerts Wiskunde
- 22 apr
- 1 minuten om te lezen
In deze blog geeft ik een snelle manier om grote getallen met elkaar op te tellen
Als voorbeeld gebruiken we

We gaan eerst kijken hoeveel je nodig hebt om van 78 naar 100 te gaan.
Daarvoor berekenen we 100 – 78 en dat is gelijk aan 22 .
Dus als we bij 78 dan 22 optellen , hebben we 100.
Van de 34 die we gaan optellen bij 78 hebben we reeds 22 gebruikt,
dus er blijven nog 34 – 22 over. Als je dat uitrekent (34 – 22) krijg je 12 .
Die 12 tellen we dan op bij 100 en dan krijg je 100 + 12 = 112
Dus

Een ander voorbeeld

In dit geval nemen we 200 af van 258 en blijft er 58 over.
Bij 389 nemen we 300 af en blijft er 89 over.
Als we dan 200 en 300 optellen krijg je reeds 500.
Daarna moeten we optellen wat er overblijft nl 58 en 89.
Hier starten we met 89, omdat dat getal dichter bij 100 ligt dan 56.
Je hebt 11 nodig om naar 100 te gaan (11 = 100-89),
en er blijft dan 58 – 11 = 47 over . Dat betekent dus 58 + 89 = 147
En dan krijg je




Opmerkingen